Achtergrond, leestijd circa 18 minuten
De geschiedenis van het matras beslaat 77.000 jaar: van geplette plantenstengels in een Zuid-Afrikaanse grot tot de gelaagde hybride matras van vandaag. Dit overzicht volgt het matras chronologisch, van de archeologische lagen in de Sibudu-grot tot de huidige slaapindustrie, met bijzondere aandacht voor de Nederlandse slaapcultuur: de zeventiende-eeuwse bedstede, het kapok uit Nederlands-Indië, de oprichting van Auping in 1888 en de hedendaagse fabrikanten.
Hoe sliepen mensen voor er fabrieken bestonden? Wat lag er onder een Romein op de Palatijn, een middeleeuwse kloosterling, een Zaanse koopman in zijn bedstede of een Brabants gezin op kapok uit de Indische archipel? We baseren ons op gepubliceerd wetenschappelijk onderzoek, octrooidatabases, museumcollecties en regionale erfgoedbronnen; de bronnenlijst staat onderaan.
De oudst bekende matras ter wereld werd ontdekt in de Sibudu-rotsschuilplaats in de Zuid-Afrikaanse provincie KwaZulu-Natal. Onder leiding van archeoloog Lyn Wadley van de University of the Witwatersrand werd vanaf 1998 stelselmatig gegraven op deze plek. In 2011 publiceerden Wadley, Christine Sievers, Marion Bamford, Paul Goldberg, Francesco Berna en Christopher Miller hun bevindingen in het tijdschrift Science (volume 334, nummer 6061).
De vondst was sensationeel. In het stratigrafisch profiel van de schuilplaats werden vijftien afzonderlijke laagjes plantenbedding aangetroffen, gedateerd tussen 77.000 en 38.000 jaar geleden. De oudste laag bestond uit een centimeterdikke matras van geperste zeggesoorten en biezen, verzameld uit de uThongathi-rivier direct onder de schuilplaats. Hierop hadden de bewoners een dunne laag bladeren gelegd van de Cryptocarya woodii, beter bekend als de Kaapse laurier of river wild-quince.
De keuze voor Cryptocarya woodii is veelbetekenend. De geplette bladeren van deze boom bevatten alpha-pyronen, cryptofolione en goniothalamin: stoffen met insecticide en larvicide werking, onder andere tegen muggen. De vroege moderne mens in Sibudu wist dus dat deze bladeren ongedierte weerden. Het is bovendien geen eenmalige situatie: microscopisch onderzoek toont aan dat de matrassen periodiek werden vernieuwd, en vanaf ongeveer 73.000 jaar geleden werd de bedding regelmatig verbrand, vermoedelijk om plagen te bestrijden en de plek schoon te houden voor hergebruik.
De volledige publicatie is beschikbaar via Science (DOI 10.1126/science.1213317) en in vrij toegankelijke vorm via PubMed Central.
Tegen het einde van het neolithicum, rond 10.000 v. Chr., was het maken van een eenvoudige slaapplaats met natuurlijke materialen wijdverbreid in alle sedentaire culturen. De mens leefde nu op een vaste plek en kon meer aandacht besteden aan slaapcomfort. Bedden bestonden uit hoopjes gedroogd gras, riet, bladeren en stro, vaak afgedekt met dierenhuiden.
Het woord matras zelf is veel jonger dan het ding. Het komt van het Arabische matrah, dat letterlijk ‘iets dat neergeworpen wordt’ of ‘mat in een bepaald gebied’ betekent. Via de Moorse cultuur in het middeleeuwse Spanje en het Latijnse matracium belandde het woord in de Europese talen. In het Middelnederlands verschijnt het als matters of materas, in het Frans als matelas.
De oude Egyptenaren waren de eersten die het slaapoppervlak structureel van de grond optilden. Rond 3000 v. Chr. ontstonden de eerste bedombouwingen, bestaande uit een houten frame met daarop een geweven matwerk van papyrus of palmvezels. De verheffing tilde de slaper letterlijk boven het ongedierte uit en boven de koude vloer. Voor de aristocratie en de farao’s werden deze bedden bovendien een statussymbool.
Toen de graftombe van farao Toetanchamon, gestorven omstreeks 1323 v. Chr., in 1922 werd geopend door Howard Carter, troffen archeologen onder de grafgiften verschillende bedden aan. Een ervan was van ebbenhout, ingelegd met goud, en gebouwd in de vorm van een leeuwencouchee. De Egyptische verzameling van het Egyptisch Museum in Caïro en aspecten van de Egyptische slaapcultuur worden ook gedocumenteerd door diverse Europese musea.
De Romeinen verfijnden het concept. Romeinse bedden, de lectus, hadden houten frames met daarover gespannen leren riemen of touwen. Deze gespannen ondersteuning was een vroege voorloper van de moderne lattenbodem: ze gaf veerkracht en hield de matras van de grond. De tijken werden gevuld met riet, hooi of wol; gegoede Romeinen gebruikten ganzenveren of wol.
Het Romeinse bed was bovendien sociaal van karakter. Het triclinium, de eetkamer in een patriciërshuis, bevatte drie brede aanligbedden waarop gasten al liggend dineerden en converseerden. Romeinse interieurs en meubelvondsten zijn onder meer terug te zien in de collectie van het Rijksmuseum en in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden.
In de middeleeuwen werd de matras voor het eerst een uitgesproken statussymbool, met scherpe sociale gradaties. Een bedelaar had een strozak die zonder beddenbak op de grond lag, een paar versleten lakens en een deken met gaten. Een terechtgestelde misdadiger in 1403 bezat volgens een inventaris alleen een matras en hoofdpeluw, beide gevuld met vlokwol. Mijnwerkers in een slaapzaal uit 1453 sliepen op matrassen zonder beddenbak, gevuld met vlokwol of veren. De welgestelden hadden een vlokwollen onderlaag met daarbovenop een tweede matras, gevuld met donsveren. Hoe meer dons, hoe meer aanzien.
De buitenzijde van de matras, de zogeheten tijk, werd gemaakt van linnen, bombazijn (een mengsel van linnen en katoen), wollen laken of, bij de zeer rijken, zijde. Een nette Parijse burgervrouw uit 1460, weduwe van de barbier van de koning, bezat volgens een nalatenschapsinventaris een matras en kussen met Vlaamse tijk, een bedhemel, een achterschot en gordijnen van blauw laken. Een burggraaf in Toire bezat in 1470 een groot ledikant met opstapje, dekbed, hoofdpeluw, moltonen onderdeken, matras, deken, bedhemel van geborduurd tapijtwerk, achterschot en drie gordijnen van blauw laken.
In de kloosters werd vaak vastgehouden aan de regels van armoede. De Kartuizers en strenge orden sliepen op smalle strozakken zonder gordijnen, met schapenvellen als deken, en in volledige kledij. Nonnen verfraaiden hun spartaanse bedden soms met een geborduurde sprei.
Voor een uitvoerige beschrijving van slaapgewoonten, bedinventarissen en sociaal-economische gradaties in deze periode is de online publicatie Sociale geschiedenis van de late middeleeuwen, Het bed, op Wikibooks een uitstekende bron met veel primaire archiefdetails.
Tijdens de Renaissance ontwikkelde de matras zich tot een pronkstuk. De vulling bleef relatief eenvoudig, stro, wol, erwtenschillen, soms veren, maar de buitenzijde werd gemaakt van fluweel, brokaat of zijde, vaak geborduurd met goud- en zilverdraad. De matras was niet alleen functioneel maar etaleerde rijkdom.
Niemand symboliseerde deze obsessie met het bed beter dan koning Lodewijk XIV van Frankrijk. De Zonnekoning zou ruim 400 bedden in zijn bezit hebben gehad. In Versailles ontving hij regelmatig staatslieden vanuit zijn slaapkamer, en de ochtendlijke lever, het opstaan van de koning, was een geprotocolleerde ceremonie waarbij vooraanstaande hovelingen aanwezig moesten zijn. Het bed was niet langer alleen slaapplaats: het was troon, ontvangstruimte en machtsinstrument.
Waar de Franse adel sliep in monumentale hemelbedden, ontwikkelde Nederland in dezelfde periode een radicaal andere oplossing: de bedstede. Een bedstede is een dichte slaapplek in de wand van het woonvertrek, afsluitbaar met gordijnen of houten deurtjes. Het was een Nederlands-Vlaams cultureel verschijnsel dat eeuwenlang het slapen in delen van de Lage Landen heeft gedefinieerd.
De praktische reden was warmte. Een onverwarmd Nederlands woonhuis was ’s winters bitter koud, en de bedstede stond altijd in de woonkamer, vaak vlak naast de schouw. Door de gesloten ruimte hield de slaper de eigen lichaamswarmte vast. In een Hollandse stolpboerderij werd de bedstede zelfs ingebouwd in het hooitasvak: bewoners sliepen letterlijk onder een berg hooi, met uitstekende isolatie als gevolg. Omdat het hooigewicht boven de bedstede aanzienlijk was, werden de zolderingen schuin of rond uitgevoerd om de last af te voeren.
De vroegste bedsteden in Nederland zijn in de zeventiende eeuw te vinden in het Groene Hart, gebouwd in gemetselde wanden of houten betimmeringen. Aanvankelijk hadden ze alleen gordijnen, in de achttiende en negentiende eeuw kregen ze dubbele houten deuren die doorliepen tot op de grond. De ruimte onder de bedstede werd vaak gebruikt als laden of opbergruimte. Daar sliepen ook wel kleine kinderen in, vandaar volgens sommige bronnen de uitdrukking ‘ondergeschoven kind’.
In het midden van de bedstede hing aan het plafond een touw met een kwast: de troetel. Hieraan kon men zich optrekken om rechtop te komen zitten. Baby’s kregen de troetelkwast soms in de wieg om op te sabbelen, waaruit de term troetelkind zou zijn ontstaan.
De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed documenteert nog tientallen rijksmonumenten met bewaarde bedsteden, van een eikenhouten bedstee uit Bolsward (omstreeks 1550) tot Huis Bonck in Hoorn, een zeventiende-eeuws kanaalhuis waar de originele zeventiende-eeuwse indeling met bedstede in de achterkamer nog volledig te ervaren is. Huis Bonck wordt beheerd door Vereniging Hendrick de Keyser en is publiek te bezoeken.
Het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem bewaart in een Noord-Hollandse stolp uit Zuid-Scharwoude (1754) nog enkele uitgebouwde, gemetselde bedsteden. Ook het Zaans Museum, Museum Hindeloopen en het Museum van de Twintigste Eeuw in Hoorn documenteren de Nederlandse bedstede in haar historische context.
Vanaf het begin van de negentiende eeuw won het ledikant terrein, eerst in de Nederlandse steden, later op het platteland. In boerenfamilies bleef het slapen in een bedstede zelfs tot ver in de twintigste eeuw in zwang. De ventilatie was slecht, en met de opkomst van het hygiënisch bewustzijn in de tweede helft van de negentiende eeuw werd het systeem stelselmatig vervangen. Het was, treffend genoeg, juist deze hygiënische beweging die ook de Nederlandse industriële matrassenfabricage op gang bracht.
De negentiende eeuw bracht de eerste echte technische revolutie in de matrassengeschiedenis. In 1857 patenteerde de Duitse uitvinder Heinrich Westphal een metalen veerconstructie die in een matras toegepast kon worden. Veertien jaar later, in 1871, presenteerde hij het eerste werkbare binnenveringmatras: een onderkant van stalen spiraalveren, afgedekt met opvulling en stof. Het was duurzamer, veerkrachtiger en hygiënischer dan alles wat eraan voorafging. Westphal stierf armlastig, want hij verkocht de rechten nooit en het binnenveringconcept werd vooral elders, in de Verenigde Staten en Engeland, commercieel ontgonnen.
De oorspronkelijke octrooitekst is te raadplegen via Espacenet, de octrooidatabase van het Europees Octrooibureau.
Tegelijk werden gietijzeren bedden in heel Europa fabrieksmatig geproduceerd. Het ijzeren bed werd betaalbaar voor de middenklasse, samen met katoenen matrassen die makkelijker schoon te houden waren. Dit was een serieuze hygiënische sprong: ongedierte zoals bedwantsen en luizen kreeg minder kans, een plaag die de voorgaande eeuwen wijdverbreid was geweest.
Tegen het einde van de negentiende eeuw drong het hygiënische bewustzijn ook door tot Nederlandse ziekenhuizen, en juist daar, in Deventer, zou de Nederlandse beddenrevolutie beginnen.
Johannes Albertus Auping (1844-1907) vestigde zich in 1868 als zelfstandig smid in Deventer. Het waren magere jaren. Hij verhuurde zelfs een zolderruimte om rond te komen, en in 1874 stortte het pand in nadat een huurder er te zware kachels op had gestapeld. In 1885 keerde het tij. Auping kreeg de opdracht bedden te leveren aan een nieuw te bouwen ziekenhuis in Deventer, het Sint Geertruiden Gasthuis. De kwaliteit beviel, en in 1888 volgde een grotere uitdaging: het Burgerziekenhuis in Amsterdam vroeg om veertig lichte, hygiënische ziekenhuisbedden, ter vervanging van de gebruikelijke stromatrassen.
De oplossing die Johannes Auping bedacht, was even simpel als ingenieus. Hij draaide staaldraad tot lange wokkels, aanvankelijk met een oude snijbonenmolen, en vlocht deze spiralen tot een verende bodem die gespannen werd in een ijzeren frame. De constructie was licht, hygiënisch en gaf veerkracht. Auping besefte dat zijn uitvinding alleen industrieel haalbaar was als hij ook de productie mechaniseerde, en hij ontwikkelde de bijbehorende machines zelf.
De producten werden in de handel gebracht onder de naam Auping’s stalen gezondheidsmatras. De verwijzing naar ‘gezondheid’ was geen marketingvondst, het was de letterlijke bestaansreden van het product.
Tien jaar na de eerste grote order, in 1898, plaatste het Koninklijk Huis een bestelling: de slaapvertrekken in het Koninklijk Paleis op de Dam werden ingericht met Auping-bedden voor buitenlandse gasten bij de inhuldiging van koningin Wilhelmina. In 1912 legde Johannes Auping de eerste steen voor een grote nieuwe fabriek aan de Laan van Borgele in Deventer. [BEVESTIGEN: de bron noemt zowel 1907 als sterfjaar van Johannes Auping als 1912 als jaar waarin hij zelf de eerste steen legde; een van beide klopt niet]
In 1988, precies honderd jaar na de oprichting, werd Auping het predicaat Koninklijk verleend. Het familiebedrijf bestaat nog steeds en is volgens publiek beschikbare bedrijfsinformatie het grootste zelfstandige beddenbedrijf van Nederland. De bedrijfsgeschiedenis is gedocumenteerd door de Stichting Industrieel Erfgoed Deventer in het boek Auping: het bed van de toekomst is nooit af (Sam de Visser en René Berends, 2008), en via de eigen erfgoedpagina van Auping.
Auping werd niet alleen bekend door technische innovatie maar ook door industrieel design. Tussen 1953 en 1982 werden er ongeveer 700.000 exemplaren gemaakt van het Cleopatra divanbed, ontworpen door Dick Cordemeijer (1924-1998). In 1973 ontwierp Frans de la Haye het houten Auronde-bed, dat zich tot een Nederlandse meubelklassieker ontwikkelde: in 2008 verliet het miljoenste exemplaar de fabriek. Het Auronde-bed is opgenomen in de collectie van diverse Nederlandse designmusea.
Voor wie in Nederland in de eerste helft van de twintigste eeuw is geboren, was de kapokmatras vanzelfsprekend. Kapok bestaat uit de vlokkige, zijdeachtige vezel uit de zaaddoos van de kapokboom (Ceiba pentandra). De vezel is ongelooflijk licht, zo licht dat ze ook werd gebruikt in reddingsvesten, en isoleert goed. Voor matrassen en kussens was kapok decennialang het standaardmateriaal in Nederland.
De grondstof kwam vrijwel volledig uit Nederlands-Indië, de huidige Indonesische archipel. Volgens een Amerikaanse analyse van de Nederlands-Indische economie in 1943 leverde de kolonie destijds 64 procent van de wereldproductie aan kapok. Het was, naast kinine, peper en rubber, een van de strategische exportproducten van de Nederlandse koloniale economie.
De verwerking gebeurde in Nederland zelf. Op verschillende plaatsen in het land, vaak strategisch gelegen langs spoorlijnen of rivieren, verrezen kapokfabrieken die de ruwe vezel reinigden, kaardden en verwerkten tot vulmateriaal voor matrassen, kussens en dekens.
De bekendste was Gebroeders Van den Bergh in Oss, gedocumenteerd door Brabants Erfgoed. Het familiebedrijf werd al voor de Eerste Wereldoorlog opgericht en bouwde eind jaren tien een complete fabrieksinfrastructuur naar ontwerp van architect Oscar Leeuw, met ketelhuis, elektrische centrale en hoofdkantoor. In de jaren twintig had de N.V. Gebroeders Van den Bergh internationale vertakkingen onder de naam Compagnie de Kapok Van den Bergh Frères in Parijs, Drake & Van den Bergh Ltd. in Londen, en zelfs een poging in Mexico.
Andere belangrijke kapokverwerkers waren Kapokfabriek De Zwaan in Mook (opgericht in 1923 als N.V. van Aarsen & Van Gelder’s Kapokfabrieken, met kapokaanvoer per trein, in 1974 beëindigd en gedocumenteerd door MaasBuren.nl met archieffoto’s en familieherinneringen), de Zuid Nederlandse Kapokfabriek in Well aan de Maas met kapokaanvoer per binnenvaartschip, de Stoomkapokfabriek Nijhuis & Co. in Almelo naast het Ten Cate-textielcomplex, en de kapokfabriek aan de De Ruyterstraat in Nijmegen, omstreeks 1910 gebouwd.
De Tweede Wereldoorlog beëindigde de kapokhandel abrupt. De Indische aanvoer kwam stil te liggen, en fabrieken stapten noodgedwongen over op het verwerken van lompen en oude kledingstukken. De Nijmeegse kapokfabriek werd op 2 oktober 1944 het toneel van een tragedie: de Luftwaffe wierp brandbommen op het gebouw, dat door buurtbewoners als schuilkelder werd gebruikt. Bijna honderd bewoners van de wijk Bottendaal kwamen om. Een monument van cortenstaal aan de Biesmanstraat, ontworpen in 2018, herinnert aan deze gebeurtenis. Het verhaal is uitgebreid gedocumenteerd door het Nationaal Comité 4 en 5 mei.
Een Nederlandse kapokmatras vereiste onderhoud. De vezels gingen door gebruik klonteren, en de matras werd jaarlijks ‘geklopt’ om de vulling weer luchtig te maken. Dit was een terugkerend, vaak voorjaarsritueel in veel Nederlandse huishoudens, soms uitbesteed aan lokale matrassenmakers die met paardenkar door de wijk reden. In de jaren zeventig verdween het kloppen geleidelijk, samen met de kapokmatras zelf, verdrongen door polyetherschuim en latex.
In 1900 patenteerde de Britse uitvinder James Marshall de pocketvering: individuele veren in afzonderlijke stoffen zakjes. De Marshall Mattress Company in Engeland bracht de techniek als eerste op de markt, later bekend onder de merknaam Vi-Spring. Pocketveringen bewegen onafhankelijk van elkaar en bieden daarmee aanzienlijk betere puntondersteuning dan klassieke binnenveringmatrassen. De oorspronkelijke patenten zijn raadpleegbaar via Espacenet en de octrooidatabase van het Britse Intellectual Property Office.
In 1926 ontwikkelde de Britse onderzoeker E.A. Murphy het procedé voor het vulkaniseren van rubberlatex tot schuim. De productie van latexmatrassen kwam daarmee binnen bereik. De Britse koninklijke familie behoorde tot de eerste afnemers. Latex is een natuurproduct, gemaakt van het sap van de rubberboom, maar wordt sinds de twintigste eeuw ook synthetisch geproduceerd uit nafta. De Europese norm staat toe dat een matras met minimaal 40% natuurlatex als natuurlatexmatras wordt aangeprijsd; de strengere Zwitserse norm eist 85% of meer.
Rond dezelfde periode, in de jaren dertig, ontstond de moderne boxspring: een combinatie van een onderbox met veren en een afzonderlijk matras erbovenop. De constructie verving de losse spiraalbodem op poten en zorgde voor extra demping en duurzaamheid. De boxspring wordt vaak met de Scandinavische slaapcultuur geassocieerd, hoewel het concept in de Verenigde Staten parallel ontwikkeld werd. Voor de Nederlandse markt was Auping later, in 1998, een belangrijke speler: het bedrijf nam in dat jaar boxspringfabrikant Zevenslaper over, het beginpunt van de eigen boxspringproductie. Wat een boxspring precies is en hoe die verschilt van een gewoon bed, lees je op onze pagina over de boxspring.
In de jaren vijftig kwam schuimrubber op de markt als matrasvulling. In de jaren zestig volgden de eerste moderne waterbedden, die in de jaren zeventig en tachtig korte tijd erg populair waren. In de jaren tachtig introduceerde de Belgische producent Recticel koudschuim onder de merknaam Bultex, in feite high-resilience polyurethaanschuim, geproduceerd in onverwarmde mallen.
In 1966 ontwikkelde NASA voor de Apollo-missies een visco-elastisch polyurethaanschuim dat de schokken van een raketlancering moest opvangen. Dit materiaal, in de volksmond traagschuim of memory foam, vormt zich naar de contouren van het lichaam onder invloed van warmte en druk, en keert na indrukking langzaam terug in de oorspronkelijke vorm (0,5 tot 5 seconden).
De technologie kwam pas in de jaren tachtig commercieel beschikbaar, eerst voor medische toepassingen zoals ziekenhuismatrassen voor decubituspreventie. Een matras die het lichaamsgewicht egaal verdeelt over een groot oppervlak en drukpunten elimineert, voorkomt doorligwonden bij langdurig bedlegerige patiënten. In de jaren negentig vond traagschuim zijn weg naar de consumentenmarkt.
Tegelijk werd het koudschuim verder verfijnd. De combinatie van pocketverenkernen met meerdere schuimlagen leverde uiteindelijk de hybride matras op, de standaard die nu de markt domineert. Welk matras bij jouw lichaam en slaapgedrag past, zoeken we in de showroom liggend uit.
Nederland kent vandaag een uitgebreide eigen matrassen- en beddenindustrie, met merken die zich richten op de kwaliteitsmarkt. Naast Auping zijn onder andere Pullman, Avek en Eastborn voorbeelden van fabrikanten met een lange staat van dienst. Veel van deze bedrijven hechten aan binnenlandse productie, een aspect dat ook in de bredere Nederlandse meubelindustrie speelt en aansluit bij de Vereeniging Nederlandsch Fabricaat, opgericht in maart 1915 om de Nederlandse consument te stimuleren Nederlandse producten te kopen.
Een hoogwaardige hedendaagse matras is een gelaagd, hybride product. Een typische opbouw bestaat uit een kern van pocketveren, vaak verdeeld in meerdere zones met verschillende veerkracht voor schouders, lendenen en heupen; een laag koudschuim (HR-schuim, dichtheid 35 tot 65 kg/m3) voor veerkracht en ademendheid; een toplaag traagschuim of gel-traagschuim voor drukverdeling; en een afwerking met natuurlijke materialen zoals wol, katoen, tencel of paardenhaar.
Het soortelijk gewicht (SG) van het schuim is een belangrijke kwaliteitsindicator. Polyetherschuim met SG20 verliest snel zijn hardheid; SG40 is duurzamer en comfortabeler. Voor koudschuim geldt: een dichtheid boven 35 kg/m3 wijst op hoge kwaliteit.
De moderne matras hoeft geen massaproduct meer te zijn. Door mass customization kunnen fabrikanten matrassen op maat maken voor lichaamsbouw, slaaphouding en gewicht. De Nederlandse beddenbranche heeft dit principe in de afgelopen twee decennia sterk omarmd, mede omdat slaaponderzoek aantoonde dat de juiste ondersteuning per persoon verschilt.
77.000 v. Chr.: oudste matras ter wereld, Sibudu-rotsschuilplaats, KwaZulu-Natal, Zuid-Afrika.
3000 v. Chr.: Egyptenaren tillen het bed van de grond.
200 v. Chr.: Romeinen ontwikkelen de ondersteuning met leren riemen.
1600 tot 1900: de Nederlandse bedstede in zwang in stad en op platteland.
1857: Heinrich Westphal patenteert een metalen veerconstructie.
1871: eerste werkbare binnenveringmatras.
1888: Johannes Auping ontwikkelt de stalen gezondheidsmatras voor het Burgerziekenhuis Amsterdam.
1898: Auping levert bedden voor het Koninklijk Paleis op de Dam.
1900: James Marshall patenteert de pocketvering.
1912: eerste grote Auping-fabriek geopend in Deventer.
1923: oprichting Kapokfabriek De Zwaan in Mook.
1926: eerste latexmatrassen (E.A. Murphy, Verenigd Koninkrijk).
Jaren 1930: boxspring als gangbaar product.
1944: bombardement Nijmeegse kapokfabriek, ramp Bottendaal.
1950: schuimrubbermatras commercieel beschikbaar.
1953 tot 1982: Auping Cleopatra divanbed, 700.000 exemplaren.
1966: NASA ontwikkelt traagschuim voor de Apollo-missies.
1973: Auping Auronde, ontwerp Frans de la Haye.
1974: sluiting Kapokfabriek De Zwaan; einde Nederlandse kapokproductie.
Jaren 1980: Bultex/koudschuim op de markt (Recticel).
1988: Auping ontvangt het predicaat Koninklijk.
2000 tot heden: hybride matrassen, mass customization, circulair design.
Deze pagina is samengesteld op basis van een combinatie van wetenschappelijke peer-reviewed publicaties (voor de prehistorie), octrooidatabases (voor de negentiende- en twintigste-eeuwse uitvindingen), Nederlandse erfgoedbronnen en bedrijfshistorische publicaties (voor het Nederlandse hoofdstuk). De primaire bronnen zijn hieronder samengevat in de bronnenlijst.
De internationale gedeelten van het overzicht volgen grotendeels de algemeen aanvaarde mijlpalen die ook door auteurs als Brent Aronson en Roger Ekirch (auteur van At Day’s Close: A History of Nighttime, 2005) worden gehanteerd, een referentiewerk voor de geschiedenis van het slapen in West-Europa. De cijfers over kapokproductie zijn afkomstig uit een gepubliceerde Amerikaanse beleidsanalyse uit 1943 van P. van Vliet (The Dutch East Indies).
Beperkingen: de pagina richt zich op de Europese stroming en de Zuid-Afrikaanse vondst. Aziatische slaapculturen zoals de Japanse futontraditie of Chinese kangbedden komen alleen zijdelings aan bod. Een uitgebreidere antropologische benadering valt buiten het bestek van dit overzicht. Vragen of correcties? Neem contact op; feitelijke verbeteringen zijn welkom.
Wadley, L., Sievers, C., Bamford, M., Goldberg, P., Berna, F., & Miller, C. (2011). Middle Stone Age Bedding Construction and Settlement Patterns at Sibudu, South Africa. Science, 334(6061), 1388-1391. DOI: 10.1126/science.1213317. Vrij toegankelijke versie via PubMed Central (PMC3221314).
Roger Ekirch, At Day’s Close: A History of Nighttime, W.W. Norton, 2005, referentiewerk over slaap in pre-industrieel West-Europa.
Espacenet, octrooidatabase van het Europees Octrooibureau, voor de oorspronkelijke patenten van Westphal (1857, 1871) en Marshall (1900). UK Intellectual Property Office, Britse patentarchieven.
Sam de Visser en René Berends, Auping: het bed van de toekomst is nooit af, Stichting Industrieel Erfgoed Deventer, 2008. Auping erfgoedpagina, bedrijfshistorisch overzicht vanaf 1888. Brabants Erfgoed, Osse Kapok, geschiedenis van Gebroeders Van den Bergh. MaasBuren, Kapokfabriek De Zwaan, door Floor van Gelder, dochter van de laatste directeur. Nationaal Comité 4 en 5 mei, kapokfabriekramp Nijmegen 1944.
Sociale geschiedenis van de late middeleeuwen, Het bed, Wikibooks NL. Nederlands Openluchtmuseum Arnhem, bewaarde bedsteden in historische boerderijen. Rijksmuseum collectie, historische bedden, beddengoed en interieurs. Digitale Bibliotheek Nederlandse Letteren (DBNL), Nederlandse cultuurhistorische bronnen en archieven. Delpher, gedigitaliseerde Nederlandse kranten en tijdschriften, onder andere voor advertenties van Nederlandse matrassenfabrikanten. Noord-Hollands Archief, bedstede.
Veelgestelde vragen
De oudst bekende matras werd ontdekt in de Sibudu-rotsschuilplaats in KwaZulu-Natal, Zuid-Afrika, en is ongeveer 77.000 jaar oud. Onderzoekers onder leiding van Lyn Wadley vonden vijftien lagen plantenbedding, gedateerd tussen 77.000 en 38.000 jaar geleden. De oudste laag bestond uit geperste zeggesoorten en biezen, afgedekt met insectenwerende bladeren van de Cryptocarya woodii (Kaapse laurier). De vondst werd in 2011 gepubliceerd in het tijdschrift Science.
Het woord matras komt van het Arabische matrah, wat ‘iets dat neergeworpen wordt’ of ‘mat in een bepaald gebied’ betekent. Via de Moorse cultuur in het middeleeuwse Spanje en het Latijnse matracium belandde het woord in de Europese talen. In het Middelnederlands verschijnt het als matters of materas.
Een bedstede is een slaapplaats in de wand van het woonvertrek, afsluitbaar met gordijnen of houten deurtjes. Bedsteden werden in Nederland gebruikt tussen ongeveer 1600 en 1900, vooral om de lichaamswarmte vast te houden in onverwarmde huizen. De vroegste exemplaren staan in het Groene Hart. Op het platteland bleef de bedstede tot in de twintigste eeuw in gebruik. Voorbeelden zijn te zien in het Nederlands Openluchtmuseum Arnhem en in Huis Bonck in Hoorn.
De pocketvering werd in 1900 gepatenteerd door de Britse uitvinder James Marshall. Marshall Mattress of England, later bekend als Vi-Spring, bracht de techniek als eerste op de markt. Pocketveringen zijn individuele veren in afzonderlijke stoffen zakjes die onafhankelijk van elkaar bewegen, wat betere puntondersteuning oplevert dan klassieke binnenveringmatrassen.
Traagschuim, ook bekend als memory foam, werd in 1966 ontwikkeld door NASA voor de Apollo-missies om de schokken van een raketlancering op te vangen. Het kwam in de jaren tachtig op de markt, eerst voor medische toepassingen zoals ziekenhuismatrassen ter voorkoming van decubitus. In de jaren negentig werd het commercieel breed beschikbaar.
Een kapokmatras is gevuld met kapok, de zachte vezel uit de zaaddoos van de kapokboom (Ceiba pentandra). In Nederland was de kapokmatras tot ver in de twintigste eeuw gangbaar. De grondstof kwam vrijwel volledig uit Nederlands-Indië: in 1943 leverde de Nederlandse kolonie 64 procent van de wereldproductie kapok. De vezel werd verwerkt in kapokfabrieken in onder andere Oss, Mook, Nijmegen, Well aan de Maas en Almelo.
Johannes Albertus Auping (1844-1907) was een Deventer smid die in 1888 een hygiënische, verende stalen bedbodem ontwikkelde voor het Burgerziekenhuis in Amsterdam. Hij draaide staaldraad tot wokkels (aanvankelijk met een omgebouwde snijbonenmolen) en vlocht deze tot een veerkrachtige bodem in een ijzeren frame. Het product werd verkocht als Auping’s stalen gezondheidsmatras en legde de basis voor de Nederlandse matrassenindustrie. Auping bestaat nog steeds en ontving in 1988 het predicaat Koninklijk.
De moderne boxspring ontstond in de jaren dertig van de twintigste eeuw, parallel ontwikkeld in de Verenigde Staten en Scandinavië. Het is een combinatie van een onderbox met veren en een afzonderlijk matras erbovenop. In Nederland nam Auping pas in 1998 boxspringfabrikant Zevenslaper over, het beginpunt van Nederlandse boxspringproductie.
Van geschiedenis naar nu
De moderne matras combineert eeuwen aan vakmanschap, technologie en materiaalkennis. In de showroom in Amersfoort vergelijk je pocketvering, traagschuim en hybride uitvoeringen van Nederlandse en Europese fabrikanten, met onafhankelijk advies erbij.